Investeringen
Jaarlijks wordt door de gemeente geïnvesteerd in onder andere gebouwen, wegen en bedrijfsmiddelen. Kenmerk van een investering is dat het nut van de betreffende goederen zich over meerdere jaren uitstrekt. Er ontstaan bezittingen waar over een periode van meerdere jaren gebruik gemaakt van wordt. Naast nieuwe bezittingen kan er ook geïnvesteerd worden in bestaande bezittingen. Dit laatste kan alleen als er sprake is van significante kwaliteitsverbetering, levensduurverlenging of aanpassingen om te voldoen aan wet- of regelgeving. Als aan deze voorwaarden niet voldaan wordt, is er sprake van groot onderhoud. Kosten van groot onderhoud moeten gedekt worden in de exploitatie of uit een voorziening groot onderhoud.
Omdat investeringen meerdere jaren nut hebben voor de gemeenschap, komen de uitgaven gedurende meerdere jaren ten laste van de exploitatie. Dit zijn de afschrijvingslasten. Afgeschreven wordt op basis van de economische levensduur van de investering en er wordt lineair afgeschreven. Onder andere in verband met de investeringen trekt de gemeente leningen aan en ontstaan rentelasten. Op basis van de boekwaarde (aanschafwaarde min afschrijvingen) van de investeringen per 1 januari van een jaar worden de rentelasten verdeeld over de programma's/beleidsdoelen. Afschrijvings- en rentelasten tezamen worden de kapitaallasten genoemd. Dit zijn de budgettaire lasten die ten laste van de exploitatie komen.
De lopende en nieuwe investeringen zijn opgenomen in het Investeringsplan, dat hierna is opgenomen. Het Investeringsplan is een totaaloverzicht van alle investeringen, exclusief de investeringen die zijn opgenomen in het MPG. De investeringen worden bruto geraamd. Als investeringen worden gedekt door een bijdrage van derden of ten laste van een reserve dan wordt dit apart geraamd.
Verder is hierna een overzicht opgenomen met de wijzigingen in het investeringsplan ten opzichte van de Voorjaarsrapportage 2026 en het Strategisch Perspectief Investeringen (SPI) voorjaar 2026.
Autoriseren en vrijgeven investeringskredieten
Conform de Financiële verordening Haarlemmermeer 2023 (tweede wijziging), artikel 6, gelden voor het autoriseren van investeringskredieten de volgende regels:
nieuwe investeringen die opgenomen zijn in het investeringsplan die starten in het nieuwe begrotingsjaar en waarvan het investeringsbedrag lager is dan € 2 miljoen worden door de raad geautoriseerd bij het vaststellen van de primitieve begroting. De raad kan hierbij aangeven van welke nieuwe investeringen lager dan € 2 miljoen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen;
nieuwe investeringen met een investeringsbedrag van € 2 miljoen of hoger die opgenomen zijn in het investeringsplan worden met een afzonderlijk raadsvoorstel aan de raad ter autorisatie voorgelegd. Uitgezonderd zijn vervangingsinvesteringen van € 2 miljoen of hoger die bestemd zijn voor de vervanging van activa waarvan de lasten conform het BBV moeten worden verantwoord onder het Overzicht overhead. Deze worden door de raad geautoriseerd bij het vaststellen van de primitieve begroting. De raad kan hierbij aangeven van welke investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen;
indien de uitvoering van een investeringskrediet zich over meerdere jaren uitstrekt, dan wordt het geautoriseerde investeringsbedrag op basis van de planning van het project over de uitvoeringsjaren verdeeld en per uitvoeringsjaar vrijgegeven. Verschuivingen tussen de jaarbedragen als gevolg van wijzigingen in de planning zijn toegestaan, mits de investering conform de door de raad vastgestelde doelen en voorwaarden wordt gerealiseerd en het totaal beschikbaar gestelde krediet niet wordt overschreden;
pas nadat de raad een investeringskrediet heeft geautoriseerd kunnen verplichtingen worden aangegaan.
In het hierna volgende investeringsplan zijn de investeringen waarvoor de raad een afzonderlijk raadsvoorstel krijgt om ze te autoriseren groen gearceerd. De overige nieuwe investeringen worden door de raad geautoriseerd bij het vaststellen van de Programmabegroting 2027-2030. Tevens geeft de raad bij de vaststelling van de programmabegroting de jaarschijf 2027 vrij voor de geautoriseerde lopende en de nieuwe investeringen. In totaal gaat het om de volgende bedragen:
Tabel 172
Omschrijving (bedragen x € 1.000) | 2027 |
|---|---|
Te autoriseren nieuwe investeringen bij vaststelling programmabegroting | 7.691 |
Later te autoriseren via een apart raadsvoorstel | 42.039 |
Vrij te geven jaarschijf lopende investeringen | 100.432 |
Totaal investeringen (bruto) | 150.162 |
Gedekt door onttrekking reserves | -21.430 |
Gedekt door bijdragen derden | -10.101 |
Totaal netto te investeren in 2027 | 118.631 |
Stelpost onderuitputting kapitaallasten
Soms duurt een investering langer dan gepland. Dat kan komen door bijvoorbeeld een vergunning die niet op tijd rond is, stikstofregels, of te weinig ruimte op het elektriciteitsnet (netcongestie). Daarom plannen we expres meer investeringen dan we verwachten uit te voeren (overprogrammering). Zo hebben we altijd andere projecten die wél op tijd klaar zijn. Zonder deze aanpak zouden we in totaal minder realiseren. Haarlemmermeer is een gemeente die snel groeit en veel wil bereiken. Daardoor staan er veel investeringen op de planning, bijvoorbeeld voor nieuwe gebiedsontwikkelingen (woningbouw). Maar bij dit soort projecten is nog veel onzeker.
Gezien de overprogrammering in het investeringsplan wordt in de huidige systematiek bij het berekenen van de kapitaallasten rekening gehouden met een realisatiegraad van de voorgenomen investeringen van 57,5%. Dit is gebaseerd op ervaringscijfers uit het verleden. Dat betekent dat van de geraamde kapitaallasten van de investeringen opgenomen in het investeringsplan, 42,5% wordt opgenomen als stelpost realisatiegraad investeringen (onderuitputting kapitaallasten). Door deze werkwijze hoeft niet geprioriteerd te worden op het niveau van een individuele investering en wordt voorkomen dat we in de begroting rekening houden met een te hoog bedrag aan kapitaallasten.
Nieuwe regels provinciaal toezicht
Door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland is op 30 juni 2026 een geactualiseerd Gemeenschappelijk financieel toezichtkader (GTK) vastgesteld. Het GTK is een landelijk kader dat door alle provincies gehanteerd wordt. Met ingang van het begrotingsjaar 2027 zijn hierin kaders opgenomen voor het ramen van een stelpost onderuitputting kapitaallasten. Het belangrijkste kader is de richtlijn dat deze stelpost maximaal 20% is van de geraamde kapitaallasten van nieuwe investeringen. Verder moet het gehanteerde percentage onderbouwd worden op basis van historische realisatiegegevens van de laatste twee vastgestelde jaarrekeningen en moeten bij de berekening van de stelpost de investeringen die gedekt worden uit een reserve dekking afschrijvingslasten of vanuit de rioolheffing niet meegenomen worden. In de programmabegroting moet de berekening van de stelpost opgenomen worden als toelichting.
Groeipad
We hebben met de provincie gesproken en aangegeven dat we deze norm niet meteen kunnen halen. Het kost tijd om de investeringen realistischer te ramen. Hieraan wordt al gewerkt, onder andere door de doorontwikkeling van het lange termijn perspectief in het Strategisch perspectief investeringen (SPI). Bij het SPI voorjaar 2027 moet hier weer een stap ingezet worden, waarmee in de Programmabegroting 2028-2031 een eerste stap kan worden gezet om tot een realistischer investeringsplan te komen. Met deze nieuwe provinciale regels komt er nog meer druk te liggen op realistischer ramen. In de Programmabegroting 2029-2032 moet worden voldaan aan het nieuwe toezichtkader.
Ook is afgesproken dat we ter informatie een berekening van de stelpost opnemen conform de regels in het toezichtkader, waarbij we ook inzichtelijk maken wat de afwijking is ten opzichte van onze huidige berekeningswijze. Tevens moeten we aantonen dat het door ons gehanteerde percentage voor het berekenen van de stelpost realistisch is. Ambtelijk is door de provincie aangegeven dat openheid en transparantie belangrijker zijn, dan het hanteren van de norm van 20% en dat er maatwerk mogelijk is.
Uitwerking
Ons huidige percentage van 42,5% voor het berekenen van de stelpost is gebaseerd op ervaringen van een aantal jaren terug. Als we nu kijken naar de realisatiegraad in 2024 en 2025 dan was die respectievelijk 60% en 75%. In 2025 was de realisatiegraad uitzonderlijk hoog. Dat werd veroorzaakt door de bouw van het nieuwe raadhuis. De totale bruto investering in 2025 was € 95 miljoen, waarvan € 29 miljoen het gemeentehuis betrof. Omdat de nieuwbouw van het gemeentehuis een eenmalige grote investering is die maar eens in de 40 jaar voorkomt, is ook berekend wat de realisatiegraad in 2025 zou zijn zonder rekening te houden met deze investering. De realisatiegraad in 2025 wordt dan 66%. Omdat de de bouw van het gemeentehuis een uitzondering is, wordt bij de berekening van de stelpost realisatiegraad investeringen voor 2027 en verder uitgegaan van de gerealiseerde realisatiegraad in 2024 en 2025 van 60% en 66%. Gemiddeld is dit een realisatiegraad van 63%. De te ramen onderuitputting in 2027 wordt dan 37%. Waarmee een eerste stap gezet wordt om te komen tot een stelpost van maximaal 20%.
Berekening stelpost conform toezichtkader
Als de in het GTK opgenomen werkwijze voor de berekening van de stelpost wordt gevolgd, dan ontstaat het volgende beeld:
Omschrijving (bedragen x € 1.000) | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |
Netto-investeringen | 105.944 | 118.631 | 99.246 | 67.344 | 46.120 | |
- waarvan ten laste van riolering | -5.718 | -11.199 | -7.425 | -9.300 | -5.000 | |
Resterende investeringen | 100.226 | 107.432 | 91.821 | 58.044 | 41.120 | |
Kapitaallasten in vorig investeringsjaar afgeronde investeringen | 7.405 | 10.336 | 13.500 | 8.038 | ||
- waarvan ten laste van riolering | -326 | -490 | -379 | -341 | ||
- waarvan gedekt uit reserves | -1.573 | -506 | -2.272 | -1.417 | ||
Rente uit lopend investeringsjaar (1,75% x 0,5) | 940 | 803 | 508 | 360 | ||
Totaal kapitaallasten nieuwe investeringen | 6.446 | 10.144 | 11.357 | 6.640 | ||
Te ramen onderuitputting op basis van realisatiegraad 2024 en 2025 | 37% | 2.385 | 3.753 | 4.202 | 2.457 | |
Geraamde stelpost op basis van huidige berekeningswijze | 2.740 | 5.653 | 9.490 | 11.108 | ||
Verschil | -355 | -1.900 | -5.288 | -8.651 | ||
Correctie stelpost op basis van oude berekeningswijze | -355 | 0 | 0 | 0 | ||
Geraamde stelpost in Programmabegroting 2027-2030 | 2.385 | 5.653 | 9.490 | 11.108 | ||
Vervolg
Bij het invoeren van de nieuwe werkwijze ontstaat een groot nadeel in de jaren 2028-2030. Dit komt door een verschil in de manier van berekenen:
nu berekenen we de buffer (stelpost) over álle kapitaallasten in het hele investeringsplan;
volgens de nieuwe regels van de provincie mag de buffer alleen berekend worden over de kapitaallasten van investeringen die in het jaar ervóór al klaar zijn.
Dit verschil zorgt voor een financieel nadeel. Bij de Voorjaarsrapportage 2027 moeten we hier rekening mee houden. Mogelijk kunnen we een deel van dit nadeel opvangen door beter te prioriteren en investeringen realistischer te plannen.
In de Programmabegroting 2027-2030 passen we de nieuwe berekeningswijze alleen toe op het jaar 2027. We gaan daarbij uit van een realisatiegraad van 63%. Voor de overige jaren in het meerjarenbeeld wordt bij de Voorjaarsrapportage 2027/het SPI voorjaar 2027 een voorstel voor de vervolgstappen aan de raad voorgelegd.
