Het financiële beeld
De begroting 2027 en het meerjarenbeeld voor de jaren 2028-2030 zijn opgesteld op basis van de door de raad vastgestelde Voorjaarsrapportage 2026 en het coalitieakkoord 2026-2030 ‘Samen maken we Haarlemmermeer’. Zoals benoemd in het coalitieakkoord is Haarlemmermeer één van de financieel meest gezonde gemeentes van Nederland en dat willen we blijven. Ook in deze bestuursperiode zorgen wij daarom voor een goed beheerde en sluitende begroting. Dat is een grote opgave. Wij sluiten onze ogen niet voor de realiteit en realiseren ons terdege dat de financiën onder druk staan. Hogere kosten en meer taken aan de ene kant en minder inkomsten aan de andere kant zorgen er mede voor dat ook Haarlemmermeer grote uitdagingen kent om de begroting sluitend te krijgen.
In het coalitieakkoord zijn stappen gezet naar een sluitende begroting. Voorkomen van uitgaven op termijn staat aan de basis van de plannen van deze coalitie. Preventie gaat leiden tot minder uitgaven. In het fysiek domein, maatschappelijke ontwikkeling en realistische en betere planning van projecten. Aan de uitgavenkant van de gemeente wordt gekeken naar efficiencymaatregelen binnen de gemeentelijke organisatie en het verlengen van afschrijvingstermijnen. De maatregelen zijn financieel vertaald in deze programmabegroting. De vertaling naar de uitvoeringsagenda met meetbare doelen, duidelijke indicatoren, realistische planning en financiële onderbouwing vindt nog plaats. Daarbij zal nog inzicht worden gegeven in de invulling van de dekkingsmaatregelen uit het coalitieakkoord. Dit wordt verwerkt in het meerjarenbeeld in de Voorjaarsrapportage 2027.
De Voorjaarsrapportage 2026 werd beleidsarm opgesteld, maar onontkoombare ontwikkelingen leidden tot een verslechterd financieel beeld. Het tekort in de jaarschijf 2030 liep op tot zo’n € 10 miljoen, de jaarschijf 2027 werd sluitend gemaakt met inzet van de algemene dekkingsreserve voor een bedrag van € 4 miljoen. Om bewoners en ondernemers zoveel mogelijk te ontzien, is in het coalitieakkoord opgenomen dat de Algemene dekkingsreserve (ADR) gebruikt wordt om de begroting sluitend te maken. Dit is beperkt tot een bedrag van € 5 miljoen. Als het jaarrekeningresultaat positief is, gaat het saldo tot de eerste € 5 miljoen weer terug naar de ADR, zodat deze middelen blijvend kunnen worden ingezet om de begroting sluitend te krijgen. De maatregelen uit het coalitieakkoord worden in deze programmabegroting aangevuld met een aantal positieve ontwikkelingen zoals de meicirculaire 2026, de herberekening van de kapitaal- en financieringslasten en de herberekening van de kostendekkendheid van de afval-, rioolheffing en de bouwleges. Dit leidt ertoe dat de onttrekking aan de ADR in 2027 volledig komt te vervallen en de jaarschijf sluit met een positief saldo van € 1,80 miljoen. Ook vrijwel alle andere begrotingsjaren sluiten, bij een gemaximeerde inzet van de algemene dekkingsreserve tot € 5 miljoen. Alleen de jaarschijf 2029 heeft nog een klein nadeel van € 0,20 miljoen. De jaren sluiten, dankzij de onttrekking aan de ADR. De kans op een positief resultaat, en de aanvulling van de ADR, wordt daarmee kleiner. De taakstellingen uit het coalitieakkoord moeten nog worden ingevuld. Dit alles in een onzekere omgeving waarbij Rijk en gemeenten al jaren in discussie zijn over de disbalans tussen taken en middelen.
Het vorige kabinet heeft incidentele middelen toegekend en daarmee een gang naar de rechter, die het dieptepunt in de bestuurlijke verhoudingen zou hebben gemarkeerd, voorkomen. Het huidige kabinet heeft bovendien aangegeven te willen werken aan het herstel van de bestuurlijke verhoudingen. Desondanks zijn wij van mening dat de financiële basis voor de uitvoering van de taken die bij gemeenten zijn belegd nog altijd onvoldoende is. Gemeenten kunnen alleen een sterke en betrouwbare eerste overheid zijn als de taken en middelen van gemeenten in balans zijn. Dit wordt opnieuw onderstreept door de Raad van Openbaar Bestuur. Na de adviezen ‘Afrekenen met disbalans’ en ‘Meters maken met medebewind’ is nu het rapport ‘Duidelijkheid in disbalans’ gepubliceerd. Hierin wordt het kabinet opgeroepen een lijst op te stellen van taken die in medebewind worden uitgevoerd, inclusief de ambities die het Rijk daarbij heeft. Inmiddels is vanuit het Rijk een start gemaakt met deze verkenning. Pas daarna kan een goed gesprek over de bijbehorende middelen worden gevoerd.
De disbalans tussen maatschappelijke opgaven en beschikbare middelen wordt met name zichtbaar bij de jeugdhulp. De kosten stijgen al jaren sneller dan de beschikbare budgetten. Het vorige kabinet heeft de financiële druk tijdelijk verlicht tot en met 2027. Vanaf 2028 verwacht het Rijk dat de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd het beoogde effect hebben. Wij hebben hiervoor een taakstelling opgenomen waarover onzekerheid bestaat of deze gerealiseerd kan worden. De commissie Van Ark monitort de voortgang van de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd en brengt de ontwikkelingen en de uitgaven in beeld. Begin 2027 wordt een nieuw rapport verwacht. De publicatie van het rapport 'Groeipijn' van deze commissie in 2025 heeft duidelijk gemaakt dat het Rijk tekort is geschoten naar de gemeenten. De adviezen van de Commissie Van Ark zijn destijds echter slechts deels overgenomen. De toekomst zal uitwijzen hoe dit kabinet, dat aangeeft de bestuurlijke verhoudingen te willen verbeteren, om zal gaan met dit advies. Duidelijkheid over voldoende bekostiging voor de jeugdzorg, kan dus niet eerder dan in 2027 worden verwacht. Over de eventuele bijbehorende financiële consequenties zal pas in de meicirculaire gemeentefonds 2027 duidelijkheid bestaan.
Haarlemmermeer staat opnieuw voor grote opgaven. De gemeente groeit, de ruimte is gewild maar schaars en de druk op wonen, veiligheid, bereikbaarheid, zorg, onderwijs, economie, klimaat en voorzieningen neemt toe. Het zorgen voor meer woningen heeft hoge prioriteit. Daarbij hebben wij oog voor de schaarste aan middelen en uitvoeringskracht. Wat we willen, en wat we kunnen, moet in balans zijn. Willen we projecten kunnen realiseren, zullen we prioriteiten moeten stellen. De huidige plannen vergen het uiterste van de ambtelijke organisatie en er zijn personele tekorten in de bouw en tekorten aan bouwmaterialen. Door prioriteiten te stellen kunnen we capaciteit vrijspelen om projecten van de grond te krijgen. Wij brengen het portfoliomanagement op orde. Zo kan de realisatiegraad worden vergroot. Ook in externe regelgeving is hier meer aandacht voor. In het onlangs gepubliceerde Gemeenschappelijk financieel toezichtkader 2026 worden door de provinciale toezichthouders richtlijnen geschetst met betrekking tot de realiteit van stelposten bij gemeenten. Dit heeft gevolgen voor de maximale stelpost die wij mogen hanteren voor de realisatiegraad investeren. Wij groeien toe naar een model met maximaal 20% onderuitputting. Wij verhogen daartoe de realisatiegraad in deze programmabegroting van 57,5% naar 63%.
Met de nu voorliggende programmabegroting ligt er een goed uitgangsperspectief voor 2027. Ook voor de jaren daarna presenteren wij een vrijwel sluitende begroting. Ondanks dat de inkomsten uit het gemeentefonds in 2028 ruim € 5 miljoen lager liggen. De onzekerheden zijn vanaf 2028 echter groot, mede veroorzaakt door de discussie over taken en middelen. Het Rijk is en blijft aan zet om deze disbalans op te lossen. Daarnaast geeft ook het huidige geopolitieke klimaat veel onduidelijkheid. Opgeworpen handelsbarrières, oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten en de stijgende defensie uitgaven leiden tot onzekerheden bij de inschatting van de renteontwikkeling.
De financiële weerbaarheid van onze gemeente is goed. Bij de Jaarstukken 2025 hebben we gezien dat vrijwel alle indicatoren schuldpositie zich versterkt hebben. Dit geeft ons een goede uitgangspositie met het oog op de onzekerheden over het sluitend houden van de begroting in de aankomende jaren. De goede uitgangspositie wordt bevestigd in de benchmarks van de VNG en BDO over de financiële positie van gemeenten op basis van de jaarrekeningcijfers 2024 (zie brief aan de raad van 11 februari 2026 XS-26020309.1961). Ons weerstandsvermogen is uitstekend.In de afgelopen jaren hebben we geen onttrekkingen uit de ADR hoeven te doen in het kader voor een sluitende jaarrekening. Bij de Programmabegroting 2026-2029 concludeerden we al dat de schuld zich op het laagste niveau van de afgelopen 15 jaar bevindt. Bij de Jaarstukken 2025 heeft deze trend zich nog verder voortgezet. In de toekomst blijft de ontwikkeling van de hoogte van de schuld wel een aandachtspunt. Wij verwachten, met name door realisatie van de grote woningbouwprojecten en de besteding van de daarmee verbonden subsidies die wij vooruit ontvangen hebben, dat de schuld gaat stijgen. Daarmee zal deze ten opzichte van andere gemeenten hoog blijven.
